Biografie Tobias Asser door Bert Voskuil, directeur T.M.C. Asser Instituut van 1965 tot 1994.

TOBIAS MICHAEL CAREL ASSER 1838 - 1913

door Dr. C.C.A. Voskuil

1. Tobias Michael Carel Asser werd geboren in het jaar waarin een belangrijk deel van de codificatie in Nederland haar beslag kreeg in 1838, op 28 april. De naam Asser had toen al een bekende klank in de kringen der Nederlandse juristen. Sedert het einde der achttiende eeuw, toen de overgrootvader van Tobias, Mozes Salomon Asser, die zich aanvankelijk als koopman in ons land had gevestigd, werd benoemd in de stedelijke rechtbank van Amsterdam, hadden leden van de familie Asser zich in verschillende functies in het juridische bedrijf als voortreffelijke juristen doen gelden. Behalve van Mozes Salomon, die in het begin der negentiende eeuw ook nog nauw betrokken was bij de voorbereidingen voor het Wetboek van Koophandel, kan gewag worden gemaakt van één van zijn zoons, Carel, gewoonlijk aangeduid als Carel I, die in zijn leven werkzaam was in de advocatuur, de rechterlijke macht en, tenslotte, in het Ministerie van Justitie; - van Louis, een zoon van Carel I, die als advocaat en rechter werkzaam was; - en van een kleinzoon, Carel II, die na een vergelijkbare carrière tot hoogleraar in Leiden werd benoemd en grondlegger werd van de serie handboeken over burgerlijk recht die wij kennen als de “Asser Serie”.

Ook via een andere zoon van Mozes Salomon, Tobias, zette het juridisch talent der Asser's zich voort in de volgende generaties. Carel Daniël, een zoon van Tobias, werd Raadsheer in de Hoge Raad. In zijn gezin werd Tobias Michael Carel geboren.

2. Na zijn schooljaren ging Tobias rechten studeren aan het toenmalige Atheneum Illustre te Amsterdam. Nog voor zijn afstuderen won hij een prijs - een gouden erepenning uitgeloofd door de Leidse Universiteit - met een opstel, getiteld “Verhandeling over het staathuishoudkundig begrip der waarde”. Hij voltooide zijn studie in 1860 met een proefschrift gewijd aan “Het bestuur der buitenlandse betrekkingen”, waarna hij zich als advocaat en procureur te Amsterdam vestigde. Twee jaren nadien aanvaardde Tobias een benoeming tot hoogleraar aan het Atheneum Illustre - voorloper van de Amsterdamse Universiteit - met als leeropdracht “het hedendaagse recht”. Zijn praktijk als advocaat hield hij aan.

Tobias Michael Carel Asser - wij kunnen hem nu hij zo nadrukkelijk uit de kring van zijn illustere familieleden is gelicht in het vervolg eenvoudig als Asser aanduiden - heeft het zich als hoogleraar niet gemakkelijk gemaakt. De overwegend theoretische benadering van het juridisch onderwijs, die bij enkele van zijn collegae in zijn dagen gebruikelijk was, lag hem allerminst. Hij leidde zijn studenten op voor de praktijk. Op de rechtspraktijk en daarmede op ambachtelijke vorming waren zijn colleges gericht. Het handelsrecht in nationale en internationale verhoudingen had zijn voorkeur. Zijn specialisatie in latere jaren in het internationaal privaatrecht volgde uit deze bijzondere belangstelling. Zijn benadering van het onderwijs was niet alleen uitzonderlijk vanwege de sterke gerichtheid op praktijkvragen, ook in zijn wijze van les geven toonde hij een, door collegae overigens niet altijd begrepen of zelfs aanvaarde originaliteit. Het optreden als docent in hoorcolleges sprak maar weinig tot zijn verbeelding. Discussies met zijn studenten, pleitoefeningen, gedachtewisselingen met buitenlandse juristen die door hem regelmatig werden uitgenodigd om voor zijn studenten voordrachten te houden, - dat alles boeide Asser en dat achtte hij van belang voor een degelijke juridische opleiding.

In de jaren van zijn hoogleraarschap schreef Asser twee handboeken die beide blijk gaven van eenzelfde, pragmatische benadering die ook zijn onderwijs kenmerkte. Het zijn korte verhandelingen, streng ingedeeld, helder en zakelijk geschreven en van iedere neiging tot nodeloos theoretiseren ontdaan: een “Schets van het Nederlandsch Handelsregt”, verschenen in 1872 en een “Schets van het internationaal privaatregt”, verschenen in 1880. Hoezeer ook internationaal het laatstgenoemde werk in een be­hoefte voorzag, moge blijken uit de vele vertalingen die ervan verschenen. Hoezeer de pragmatische benadering van de rechtsstof toch ook tijdgenoten kon aanspreken, blijkt uit de opmerking van Alphonse Rivier in zijn voor­woord tot de Franse uitgave van Asser's “Schets van het internationaal privaatregt”:

“je ne pense pas que l'on retire de la lecture de ce livre cette impression pénible de vague et de doute que laissent trop souvent les expositions des auteurs qui ont écrit sur le conflit des lois, et même des meilleurs”.

3. Wie zich een beeld wil vormen van de wijze waarop Asser in zijn werk en in zijn denken over recht, wetenschap en praktijk verenigt, zou er goed aan doen de “Schets van het internationaal privaatregt” aandachtig te lezen. De in Asser's dagen gangbare conflictenoplossingen zal hij in het werk vrij volledig vinden weergegeven. Een analyse van de verschillende benaderingen ontbreekt echter goeddeels. Asser toont ons weinig meer dan een catalogus van opvattingen. Hij onthoudt ons een diepgaande afweging die tot een keuze uit de theoretische recepten zou kunnen doen besluiten.

Een enkel voorbeeld lijkt hier op zijn plaats. In de paragraaf van de Schets die aan de rechtsbronnen is gewijd beperkt Asser zich tot het noemen van een aantal verwijzingen naar elders genoemde teksten. Na vervolgens globaal en weinig indringend de grondslag voor toepassing van vreemd recht te hebben besproken en op toch boeiende wijze het rechtskarakter van vreemd recht aan de orde te hebben gesteld, schrijft hij:

“Hij (de rechter  - auteur) moet (...) ook bij het ontbreken van positieve wetsvoorschriften, onderzoeken naar welk regt, volgens algemeene beginselen, het geding behoort te worden beslist. De aard der handeling of der regtsbetrekking, de nationaliteit of woonplaats der handelende personen, de plaats waar gehandeld is of waar uitvoering van aangegane verbintenissen moet geschie­den, dit alles en nog velerlei omstandigheden zullen tot maatstaf moeten strekken bij het bepalen der in elk geval toepasselijke wet.”

Graag hadden wij hem hierover wat uitvoeriger horen uitwijden, maar hij breekt al spoedig zijn betoog af om aandacht te geven aan hetgeen hem vóór alles bezig hield: het vinden van een internationale regeling - van uniform recht dan wel van conflictenrecht - die de alom bestaande onzekerheid over op internationale verhoudingen toe te passen recht zou kunnen wegnemen:

“Dat de waardering dier omstandigheden vaak tot groot verschil van gevoelen aanleiding geeft en dus, bij ge­breke van positieve wetsvoorschriften, nog geene over­eenstemming tusschen regtspraak en regtsleer in de verschillende landen verkregen is, zal niemand verwon­deren. Des te vruchtbaarder kan dan ook juist op dit gebied het onderzoek naar de ware beginselen zijn cm langs die weg zoveel mogelijk overeenstemming te erlangen en het tot stand komen van wettelijke regelen voor te bereiden.”

Wat Asser in zijn benadering van het conflictenrecht vóór alles bezig hield klinkt hier door: het scheppen van voor­waarden in internationaal overleg en door middel van tractaten, voor een grotere zekerheid en eenheid van rechts­bedeling in het internationale vlak.

4. Reeds op tweeëntwintigjarige leeftijd, kort nadat hij zijn rechtenstudie in Amsterdam had voltooid, werd Asser in internationaal overleg betrokken als lid van de Neder­landse delegatie bij de Conferentie van Koblenz die aan Rijntollen was gewijd. Ook aan het internationaal overleg over de uitvoering der besluiten die in die conferentie waren genomen nam Asser deel. Het vraagstuk van de vrije scheepvaart op de Rijn hield hem in deze jaren sterk bezig. Hij publiceerde over de Rijntollen en over de rol van de rechter in de centrale Rijnvaart-commissie, een internationaal orgaan met beperkt judiciële bevoegdheden, waaraan Asser eveneens zijn diensten heeft verleend. Zijn werkzaamheden met betrekking tot de regeling van de Rijn­scheepvaart brachten Asser in nauw contact met het Mini­sterie van Buitenlandse Zaken, dat hem sindsdien regelma­tig uitnodigde tot deelneming aan diplomatieke conferen­ties als lid van de Nederlandse delegaties.

Er is nog een ander aspect aan te wijzen in het inter­nationale werk van Asser, een aspect van zijn activiteiten dat aanvankelijk dichter lag bij zijn wetenschappelijk werk als hoogleraar in het hedendaagse en vooral het internationaal privaatrecht, maar dat de inspiratiebron bij uitstek zou blijven voor hetgeen hij in later jaren in internationaal overleg tot stand kon brengen: zijn nauwe betrokkenheid bij de Association Internationale des Sciences Sociales, bij het Journal de Droit International et de Législation Comparée en, vooral, bij het Institut de Droit International.

5. De betekenis van het Institut de Droit International voor de beoefening van het internationale recht en voor de ontwikkeling van het verdragenrecht op tal van terrei­nen, kan moeilijk worden overschat. Het Institut werd in 1873 in Gent opgericht op initiatief van de befaamde Bel­gische jurist Gustave Rolin-Jacquemijns. De oprichting van het Institut was geen toevallige gebeurtenis, maar sloot nauw aan bij de oprichting, enkele jaren te voren, van de “Association internationale pour le progrès des sciences sociales”, een naar het voorbeeld van soortge­lijke sterk sociaal gerichte “Associations” ingerichte vereniging voor de bestudering en, waar mogelijk, de op­lossing van maatschappelijke vraagstukken van zeer uit­eenlopende aard. Ook voor het internationale recht was in het programma van de Association internationale plaats ingeruimd. Asser en anderen die wij later bij het Institut tegenkomen ontplooiden op dit onderdeel grote activiteit. Toen de gedachte aan een uitsluitend op de bevordering van het internationale recht gericht instituut vorm kreeg, was Asser onder de oprichters.Met eenzelfde élan als hij had getoond in zijn werk voor de “Association internationale”,  spande hij zich in voor het Institut.

De studie van het internationaal privaatrecht maakte vanaf de oprichting deel uit van het programma van het Institut. Er werd tot dat doel een commissie ingesteld. Asser en Pasquale Stanislav Mancini, die Italiaanse rechtsgeleerde en staatsman - wiens naam wij hedentendage nog verbinden aan een door de souvereiniteitsgedachte verscherpt nationaliteitsbeginsel - werden voor deze Com­missieals rapporteurs aangewezen. Hun opdracht, afgeleid van de doelstelling der Commissie, was de moge­lijkheden te onderzoeken

“de rendre obligatoires pour tous Etats, sous la forme d'un ou de plusieurs traités internationaux, un certain nombres de règles générales de droit international privé, pour assurer la décision uniforme des conflits entre les différentes législations civiles et criminelles.”

In de Zitting die het Institut een jaar na zijn oprichting in Genève hield, brachten Asser en Mancini hun adviezen uit die beide met algemene stemmen werden aangenomen. Asser's bijdrage - kort en uiterst zakelijk gesteld - behelsde voornamelijk een overzicht van de onderwerpen die zich voor regeling in internationale overeenkomsten zouden lenen. Mancini's advies, met verve neergeschreven, gold vooral vragen van algemene aard aangaande de juri­dische grondslagen. De aanvaarding der beide adviezen door de Commissie voor het internationaal privaatrecht van het Institut markeert het begin van een streven de medewerking te verkrijgen van de regering der nog betrek­kelijk kleine groep Staten waarvoor de plannen tot harmo­nisatie of zelfs uniformering van het recht gedacht waren. Zowel Mancini als Asser deden in de jaren die volgden hun uiterste best om op regeringsniveau, allereerst in eigen land, de geesten rijp te maken voor de organisatie van een conferentie ter bespreking van internationale regelingen op het stuk van het privaatrecht. Aanvankelijk ontmoetten zij slechts geringe belangstelling. In 1884 leek Mancini, toen zelf Italiaans Minister van Buitenlandse Zaken, te zullen slagen in het organiseren in Milaan, van een conferentie van overigens beperkte opzet. Een ernstige cholera-epidemie in Italië noopte tot het afgelasten van de bijeenkomst. Vier jaren later stierf Mancini.

6. De gedachte aan een internationale conferentie waar de in het Institut ontwikkelde plannen gerealiseerd zouden kunnen worden, had ook Asser niet los gelaten. In 1880 verschijnt van zijn hand een artikel onder titel “Droit international privé et droit uniforme”. Het verschijnt in een tijdschrift waarvan Asser zelf één der oprichters was: de Revue de droit international et de législation compa­rée. De publicatie van het artikel ligt dicht bij de verschijning van de “Schets van het internationaal pri vaatregt”, waarvan wij eerder zagen, dat Asser er zo na­drukkelijk op het belang van een internationale ordening van het conflictenrecht wijst. In zijn bijdrage in de Revue de droit internationale et de législation comparée van 1880 gaat Asser op deze gedachte uitvoerig in, duidelijk ge­ïnspireerd door het werk van het Institut, voortbordurend op het door hem in 1874 uitgebrachte rapport. Asser's artikel is niet minder dan een plan voor de codificatie van het internationaal privaatrecht:

“il faut canmencer par la convacation d'une conférence internationale, ou de plusieurs conférences quand il s'agirait des parties spéciales, afin d'obtenir l'accord nécessaire à l'égard des principes. Dans les Etats constitutionnels, la loi nationale devra sanctionner les bases sur lesquelles on pourra conclure des traités par rapport au conflit des lois. ”

Aldus vat Asser aan het slot van zijn artikel zijn denk­beelden samen. Het zijn denkbeelden over een strategie die zou zijn te volgen om het eerdere in het Institut geformuleerde doel te bereiken. Elders in het artikel beschrijft hij hoe in nationaal verband het internatio­naal overleg zou zijn voor te bereiden:

“Les membres de la conférence projetée auraient a examiner, chacun pour on pays, quelles seraient les modifications à introduire dans les codes afin de les mettre en harmonie avec les principes du droit inter­national dent on recaimande l'adoption. Ces modifica­tions une fois introduites, la conclusion de traités serait grandement facilitée, puisque les traités, sauf les formalités et les détails, ne feraient que sanc­tionner les principes du droit national”.

Er zullen nog dertien jaren verlopen voordat de eerste zitting van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht in de Haagse Trêves-zaal wordt geopend. De blauwdruk heeft Asser reeds voor ogen.

7. Het lijdt geen twijfel dat, ook voor Asser zelf, de oprichting van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht een schitterend hoogtepunt was in zijn loop­baan. Al wat hij sinds zijn rechtenstudie aan ervaringen had opgedaan in wetenschap en rechtspraktijk, in interna­tionaal onderzoek en diplomatiek overleg, kon in deze ambitieuze onderneming tot zijn recht komen. Ambitieus zeker: op het programma stond niet minder dan de codificatie, op internationaal niveau, van het internationaal privaatrecht.

In 1892 werden door de Nederlandse Regering de uitnodi­gingen verzonden naar de Regeringen der Staten die bij het codificatiewerk zouden worden betrokken. Op het grootste deel der uitnodigingen werd positief gereageerd. In 1893 werd de Conferentie, door Asser met evenveel hardnekkig­heid als talent voorbereid, geopend. Asser werd gekozen tot president. In zijn inleidende toespraak geeft hij blijk van zijn diepe voldoening:

“Je ne veux pas vous dissimuler l'émotion profonde que je ressens en vous priant de commencer vos travaux. C'est un des rêves de ma jeunesse qui, si tous les pré­sages ne nous trompent, vient d'entrer dans la voie de réalisation.”

Tekenender nog dan deze persoonlijke ontboezeming is wel­licht de diplomatieke vermaning die volgt:

“Quoi que vous décidiez à cet égard ( cf. la méthode à suivre pour atteindre le but d'une codification de droit international privé - auteur) je suis sûr d'exprimer votre pensée quand je dis que pour atteindre le but, nous serons tous obligés de nous faire des concessions réciproques: nous devrons sacrificier sur l'autel de l'entente internationale des opinions et des idées qui nous sont chères.”

Behoud en voortgang der Haagse Conferentie krijgen nu vóór alles Asser's aandacht. In een rede ter afsluiting van de discussies kondigt hij de volgende Zitting aan met een voorstel tot verbetering der procedure:

“Tâchons de faire adopter pour cette conférence ultérieure une méthode de procéder qui permette aux délégués de se livrer à un travail préparatoire avant l'ouverture officielle de la conférence”.

De oprichting van nationale organen die zich op het na­tionale vlak met de voorbereiding der vergaderingen van de Conferentie kunnen belasten, ligt in de lijn van deze suggestie. Asser beijvert zich er voor. Met succes: in 1897 wordt de Staatscommissie voor Internationaal Privaat­recht ingesteld. Tot op de dag van vandaag draagt deze permanente Commissie belangrijke verantwoordelijkheden voor het werk van deze Conferentie. Ook in enkele an­dere staten worden commissies voor het internationaal privaatrecht in het leven geroepen. Als in 1898 het Institut onder voorzitterschap van Asser in Amsterdam vergadert neemt Asser de gelegenheid waar om er op aan te dringen dat dit voorbeeld op ruime schaal wordt gevolgd.

Wetgeving, en vooral ook wetgeving als door de Haagse Conferentie beoogd, in de vorm van regelingen waarvan de toepassing noodzakelijkerwijze aan nationale organen moet worden overgelaten, moet “bewaakt” worden. Er behoort een mogelijkheid te zijn om na te gaan hoe de tractaten zich in het milieu der lidstaten ontwikkelingen opdat tijdig de aanpassingen kunnen worden aangebracht die door de ontwikkelingen in de praktijk worden geëist.

Asser was zich van deze noodzaak terdege bewust. Onder zijn voorzitterschap begon de Nederlandse Staatscommissie voor Internationaal Privaatrecht kort na haar instelling met de publicatie van een informatie-bulletin waarin me­dedeling werd gedaan van de stand der conventies en waar­in materiaal werd opgenomen aangaande ontwikkelingen in het internationaal privaatrecht van bij de Haagse Confe­rentie betrokken landen.

Het is nauwelijks nodig te vermelden dat Asser ook de “eigen” Revue de droit international et de législation comparée gebruikte om verslag te doen van het verloop der eerste Zitting. Hij deed zulks in de vorm van een historisch overzicht, waarin aan het voorbereidend werk van het Institut een belangrijke plaats werd gegeven. Zo wer­den er, waar maar mogelijk, ankers uitgeworpen om de Conferentie stevig op haar plaats te houden.

Vier Zittingen - die van 1893, 1894, 1900 en 1904 - werden door Asser voorgezeten. Daarna stagneerde het werk, hoewel het door Asser zo wijds ontworpen programma nog niet was afgewerkt. Het élan van de beginjaren ging ver­loren. Het komt eerst terug als, na de Tweede Wereldoorlog, de leiding der Staatscommissie - en van een reeks Zittingen der Haagse Conferentie - in handen wordt gelegd van Professor Mr J. Offerhaus.

8. Hoe uitermate veeleisend de voorbereidingen en de leiding van de Haagse Conferentie ook waren, het is allerminst zo, dat Asser hierdoor gedurende vele jaren geheel in beslag werd genomen. Het werk voor het Institut, zo nauw aan dat der Conferentie verwant, ging onverminderd voort. Zijn betrekking als hoogleraar aan de Amsterdamse Universiteit, sinds 1877 in het internationaal privaatrecht, vervulde Asser tot 1893, het jaar van zijn vertrek naar Den Haag, dat hem evenzeer noopte de Amsterdamse balie te verlaten. Ook de binnenlandse politiek had zijn belangstelling. In tal van commentaren ging hij in op vragen van actuele po­litiek. In 1883 werd hij benoemd in de Commissie voor de herziening van de Grondwet. Hij liet zich kandidaat stel­len voor de Tweede Kamer der Staten Generaal. Gekozen werd hij niet, maar in geschrift mengde hij zich in de debatten over de grondwetsherziening.

Wanneer het plan van de Russische Tzaar Nikolaus II voor internationaal vredesoverleg leidt tot bijeenroeping van een conferentie in Den Haag, wordt Asser in de Neder­landse delegatie opgenomen. Tot de weinige resultaten waartoe de Haagse Vredesconferenties van 1899 en 1900 lei­den, behoort de oprichting van het Internationale Hof van Arbitrage. Asser, die reeds eerder aan internationale ar­bitrages deelnam, wordt ook bij enige door dit Hof gevoerde arbitrages betrokken. De Nederlandse Regering nodigt hem uit zitting te nemen in een commissie die tot opdracht krijgt een derde, in 1915 te houden Vredesconferentie voor te bereiden. De oorlog haalt echter de vredesplannen in.

Asser's medewerking wordt ook ingeroepen bij de voor­bereiding van een internationaalrechtelijke bibliotheek die met steun van het Carnegie-fonds wordt ingericht. Ook bij de stichting van het Vredespaleis wordt hij betrokken.

Gesteund door een in de tweede Vredesconferentie aan­vaarde aanbeveling ijvert Asser voor de oprichting van een Academie voor internationaal recht in Den Haag, die bij het Vredespaleis en de daar onder te brengen bibliotheek zou zijn te vestigen.

Al deze inspanningen leiden ertoe dat aan Asser in 1911 de Nobelprijs voor de Vrede wordt verleend.

9.Er zijn nog plannen gemaakt voor een vijfde Zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaat­recht. Een regeling der onderwerpen die nog ter tafel lagen - erfrecht en faillisementsrecht - bleek echter op grote moeilijkheden te stuiten en de voorbereiding werd doorkruist door een gezamenlijk voorstel van Duitsland en Italië aan de Nederlandse Regering een conferentie voor de internationale regeling van het wissel- en chequerecht te organiseren. De Nederlandse Regering aanvaardde dit verzoek. Asser belastte zich met de voorbereidingen. Onder zijn voorzitterschap werden in 1910 en 1912 de beide aan de regeling van het wissel- en chequerecht gewijde confe­renties gehouden - het sluitstuk van Asser's inspanningen op het gebied van het internationaal privaatrecht.

Nog volop in de weer voor de oprichting van de Academie de droit international die in Den Haag zou worden geves­tigd, en ten aanzien waarvan aanvankelijk was voorgenomen, dat de opening gelijktijdig met die van het Vredespaleis in 1913 zou geschieden, overleed Asser op 29 juli 1913.

 

's-Gravenhage, maart 1985