Onderzoek naar de toepassing van Artikel 32 van de Akte van Mannheim in de 5 Rijnstaatlanden

Nov 1, 2017 - Dec 31, 2017

Project description

In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is een onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop de 5 lidstaten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) - België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zwitserland - omgaan met de rechtsongelijkheid welke bestaat tussen het regime dat van toepassing is op de Rijnstroomgebieden, en het regime dat op de overige binnenvaartwegen van toepassing is.

Aan de hand van een rechtstheoretische vergelijking werd in het onderzoek de toepassing van Artikel 32 van de Akte van Mannheim of Herziene Rijnvaartakte (1868) in de praktijk van deze landen onderzocht. Dit Artikel bepaalt dat voor overtredingen van de gemeenschappelijk voor de Rijn opgestelde politievoorschriften een maximumboete kan worden opgelegd van SDR 2.500,-, een bedrag dat in 1999 is verhoogd naar € 25.000,-. Dit boeteregime wijkt echter af van het Nederlandse recht, mede doordat Nederland bestuursrechtelijke handhaving toepast, inclusief de mogelijkheid van vervangende hechtenis, op andere binnenvaartwegen. Hierdoor is een situatie ontstaan waarin bij overtredingen begaan buiten de Rijn de handhavende instantie meer sancties ter beschikking heeft dan wanneer sprake is van overtredingen op de Rijn.

De centrale vraag bij het onderzoek naar de rechtsongelijkheid in de 5 landen was of de handhavende autoriteiten daadwerkelijk onderscheid maken tussen overtredingen begaan op de Rijn enerzijds en op de overige binnenwateren anderzijds. Op basis van de bevindingen wordt in de conclusie van het onderzoek een aantal opties uitgewerkt om in de toekomst met deze rechtsongelijkheid om te gaan.